Home Over onze gemeente Nieuws Activiteiten + Agenda De Schakel Zending Contact

Artikel 8 - De Gemeente

Waarom is de gemeente zo belangrijk?

De gemeente wordt in de bijbel het lichaam van Christus genoemd: Ef. 1:23 ...”de kerk (de gemeente), die zijn lichaam is...” Kol: 1:24: ...”zijn lichaam, de kerk (de gemeente)...” Jezus is niet meer zichtbaar op aarde. Nu vormt de gemeente de zichtbare aanwezigheid van Christus op aarde. Hij stelt de gemeente daartoe in staat door zijn Heilige Geest te zenden, die de gemeente Gods Woord bekendmaakt (Openb. 2:7, 11, 17, 29; 3:6, 13, 22) “Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt”.

Wij zijn als leden van de gemeente van Jezus Christus zijn vertegenwoordigers, zijn gezanten, hier op aarde. 2 Cor. 5:20: “Wij zijn gezanten van Christus, God doet door ons zijn oproep. Namens Christus vragen wij: laat u met God verzoenen”.

Wat is de gemeente?

Eerst was er nog geen sprake van een ‘gemeente’, maar van een ‘menigte’ (NBG) Hand. 4:32: “De groep mensen die het geloof had aanvaard, leefde eendrachtig samen”. Pas door de vreselijke geschiedenis van Ananias en Sapphira kwam deze menigte er achter dat het om meer ging dan alleen maar fijn bij elkaar zijn. Hand. 5:11: “De hele gemeente en allen die hiervan hoorden, werden door grote schrik bevangen”. Hier wordt voor de eerste keer in Handelingen het begrip ‘gemeente’ gebruikt. De grondtekst gebruikt daarvoor het woord ‘ekklesia’ hetgeen letterlijk betekent: ‘vergadering van uit-geroepenen’. Het woord kerk is afgeleid van het Griekse woord ‘kuriakon’, dat ‘huis des Heren’ betekent.

1 Petr. 2:9-10: “Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht. Eens was u geen volk, nu bent u Gods volk; eens viel Gods ontferming u niet ten deel, nu wordt zijn ontferming u geschonken”.

De gemeente is dus niet zo maar een vergadering van de één of andere club, geen vereniging of stichting maar is de plaats waardoor God zich wil manifesteren aan de wereld om ons heen.

1 Tim. 3:15b: “Dan weet je hoe men zich moet gedragen in het huis van God, dat wil zeggen de kerk van de levende God, fundament en pijler van de waarheid”.

2 Cor. 6:16b: “Wijzelf zijn de tempel van de levende God, zoals God heeft gezegd: ’Ik zal bij hen wonen en in hun midden verkeren, ik zal hun God zijn en zij mijn volk’”.

Geheimenis

‘Eens was u geen volk’ staat er in 1 Petrus. Dat is zo ver gegaan dat zelfs het bestaan van de gemeente een totaal onbekend gegeven is geweest. In de Oudtestamentische profetieën vinden we geen berichten over de christelijke gemeente, want daar wisten de profeten niet van. Zelfs het boek Daniël weet niet van een toekomstige gemeente, terwijl het heel verwant is aan het boek Openbaring waarin Jezus uitvoerig over de gemeente spreekt. Dat was een nog niet geopenbaard geheimenis, het geheimenis van de gemeente, waar Paulus uitvoerig over schrijft. Ef. 3:3-10.

1 Petr. 1:10-12: “Wat die redding inhoudt, trachtten de profeten te achterhalen toen ze profeteerden over de genade die u ten deel zou vallen. Zij probeerden vast te stellen op welke tijd en op welke omstandigheden Christus’ Geest, die in hen werkzaam was, doelde toen deze hun zei dat Christus zou lijden en daarna in Gods luister zou delen. Er werd hun geopenbaard dat deze boodschap niet voor henzelf bestemd was maar voor u, en nu is deze boodschap u verkondigd door hen die u het evangelie hebben gebracht, gedreven door de heilige Geest, die vanuit de hemel werd gezonden. Het zijn geheimen waarin zelfs engelen graag zouden doordringen”.

Wij zijn bijzonder bevoorrechte mensen, dat wij deel uit mogen maken van zo’n gemeente.

Hoe zit de gemeente in elkaar?

Christus is het hoofd: Ef. 1: 22-23: “Hij heeft alles aan zijn voeten gelegd en hem als hoofd over alles aangesteld, voor de kerk, die zijn lichaam is, de volheid van hem die alles in allen vervult”.

Wij zijn het lichaam:

Col. 1:18: “Hij is het hoofd van het lichaam, de kerk (gemeente). Oorsprong is hij, eerstgeborene van de doden, om in alles de eerste te zijn”.

Zoals het hoofd de hersens bevat met ons denkvermogen, dat leiding geeft aan ons gehele doen en laten, willen we ons als gemeente geheel laten leiden door wat Jezus, ons Hoofd, denkt en wil.

De Bijbel spreekt in beelden als er staat dat niemand ooit zijn eigen vlees haat, maar het voedt en koestert, zoals Christus de gemeente, omdat wij leden zijn van zijn lichaam. (Ef. 5:25-29. Maar het feit dat Christus heel goed voor het lichaam zorgt wil niet zeggen dat het lichaam verder niets meer hoeft te doen.

1 Cor. 6:19-20: “Of weet u niet dat uw lichaam een tempel is van de heilige Geest, die in u woont en die u ontvangen hebt van God, en weet u niet dat u niet van uzelf bent? U bent gekocht en betaald, dus bewijs God eer met uw lichaam”. Wat voor iedere individuele gelovige geldt, geldt net zo goed voor de gemeente als lichaam.

Wat is onze bediening?

2 Cor. 5:18-19: “Dit alles (het oude is voorbij; het nieuwe is gekomen) is het werk van God. Hij heeft ons door Christus met zich verzoend en ons de verkondiging daarover toevertrouwd. Het is God die door Christus de wereld met zich heeft verzoend: hij heeft de wereld haar overtredingen niet aangerekend. En ons heeft hij de verkondiging van de verzoening toevertrouwd”.

Ef. 3:8-10: “Mij, de allerminste van alle heiligen, is de genade geschonken om de heidenen de ondoorgrondelijke rijkdom van Christus te verkondigen, en voor allen in het licht te stellen hoe het mysterie dat in alle eeuwen verborgen was in God, de schepper van het al, werkelijkheid wordt. Zo zal nu door de kerk de wijsheid van God in al haar schakeringen bekend worden aan alle vorsten en heersers in de hemelsferen”.

De taak van de gemeente is dus gericht tot de wereld om ons heen (de heidenen) en ook tot de vorsten en heersers in de hemelsferen. Ook zijn de gelovigen de gezanten van Christus. Wij moeten Christus laten zien aan de wereld.

Oudsten, diakenen, bedieningen

Hand 14:23: “In elke gemeente stelden ze (Paulus en Barnabas) oudsten aan, en na gevast en gebeden te hebben bevalen ze hen aan bij de Heer, in wie ze hun vertrouwen hadden gesteld”.

De taakomschrijving van de oudsten is volgens Titus 1:6-9 - beheer van het huis Gods; - waken over de leer; - het vermanen op grond van de leer; - het weerleggen van de tegensprekers - de zalving van zieken (volgens Jac. 5)

Bronvermelding
‘Geloof om op te bouwen’ door J.W. Embregts
Bijbel (NBV)