Home Over onze gemeente Nieuws Activiteiten + Agenda De Schakel Zending Contact

Eens gered altijd gered? Is het waar dat je je verlossing niet kunt verliezen?

De één zegt van wel, de ander zegt van niet - het is een aantrekkelijke gedachte. In dit artikel verkennen we dit onderwerp aan de hand van de kerkgeschiedenis en de Bijbel. 

Een stukje kerkgeschiedenis

Wat is de oorsprong van de felle discussies tussen voor- en tegenstanders van de leer dat een christen voor altijd gered is, ook als hij er niets meer aan doet? De basis van dit conflict werd gelegd in de zeventiende eeuw. Het ging tussen twee hoogleraren aan de Universiteit van Leiden, te weten Jacobus Arminius (1559-1609) en Franciscus Gormarus (1563-1641). Arminius, wiens familie in oudewater in 1575 vermoord werd door de Spanjaarden, tornde aan Calvijns uitverkiezingsleer. Hoewel hijzelf in Geneve, het hart van het toemalige calvinisme, had gestudeerd, kon hij moeilijk aannemen dat al voor het begin van de schepping onomstotelijk vast lag wie uitverkoren of verdoemd was. De staten van Holland drongen sterk aan op een verzoening tussen de standpunten van de beide professoren, maar de kemphanen bleken niet tot een compromis bereid.

Lang na de dood van Arminius besliste de synode van Dordrecht in 1619 dat Gormarus de ‘rechte leer’ verkondigde. De volgelingen van Arminius scheidden zich hierna af van de gereformeerde Kerk en richtten in 1621 te Antwerpen de Remonstrantse Broederschap op. Als wij de geloofwaardigheidtest van Jezus, namelijk dat je aan de vruchten de boom herkent (Matteus 7:16-20), nu op de Remonstrantse Broederschap toepassen, dan moeten we vaststellen dat dit kerkgenootschap maar armzalige vruchten heeft voortgebracht. De doorgeschoten tolerantie heeft daar de vrije keuze van de mens boven die van Gods geopenbaarde waarheid verheven. Men zij dus gewaarschuwd om zich onvoorwaarlijk in de armen van het arminianisme te storten. Uiteindelijk komt dan niet God maar de mens centraal te staan en dat is een dodelijke harttransplantatie.

De gedachte dat je je verlossing niet kan kwijtraken is een logisch sluitstuk van de calvinistische leer van de uitverkiezing

Een van de elementaire uitgangspunten in de theologie van Johannes Calvijn (1509-1564) is de almacht van God. God is soeverein. Dit komt onder meer tot uitdrukking in het feit dat Hij alles van tevoren bepaald heeft, inclusief onze verlossing of veroordeling. Een mens kan daar niets aan toevoegen of aan afdoen, zo concludeerde Calvijn. Er zijn ook bijbelgedeelten die deze gedachte lijken te ondersteunen. Laten we er een paar noemen:

‘In Christus immers heeft God, voordat de wereld gegrondvest werd, ons vol liefde uitgekozen om voor hem heilig en zuiver te zijn, en hij heeft ons naar zijn wil en verlangen voorbestemd om in Jezus Christus zijn kinderen te worden.’ - Efeziers 1:4-5

‘Ik geef ze eeuwig leven: ze zullen nooit verloren gaan en niemand zal ze uit mijn hand roven. Wat mijn Vader mij gegeven heeft gaat alles te boven, niemand zal ze uit mijn hand roven.’ Johannes 10:28-29

Als je tot de uitverkorenen behoort, lijkt de theologie van Calvijn logisch en aantrekkelijk, maar als je eerlijk bent, moet je vaststellen dat het niet valt te rijmen met een ander grondbeginsel in de bijbel, namelijk dat God de mens geschapen heeft met een vrije wil.

Tekst met tekst vergelijken

Wij geloven dat de Bijbel van kaft tot kaft geinspireerd is door Gods Geest,

‘Elke schrifttekst is door God geinspireerd en kan gebruikt worden om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een deugzaam leven. - 2 Timoteus 3:16

‘Want nooit is een profetie voortgekomen uit menselijke initiatief: mensen die namens God spraken werden daartoe altijd gedreven door de Heilige Geest.’ - 2 Petrus 1:21

Nu rust op ons de heilige taak om tekst met tekst te vergelijken en de onderlinge harmonie te ontdekken. Dit is een basisbeginsel van bijbeluitlegging. Als we dit principe toepassen op de vraag of iemand eens en voor altijd gered is, dan blijkt uit het geheel van de Bijbel dat de mens geen marionet is en God geen poppenspeler. Vanaf het eerste bijbelboek is God met de mens in gesprek. Adam en Eva spreekt Hij vermanend toe na hun zondeval, maar Hij geeft ze ook de belofte dat het zaad van de vrouw de kop van de slang zal vermorzelen (Genesis 3:9-15). Zelfs Kain krijgt na de moord op zijn broer Abel de belofte dat ieder die hem doodt, zevenvoudig zal boeten (Genesis 4:15). Abraham durft het aan om met God te argumenteren over het oordeel over Sodom (Genesis18:16-33). Als het volk van Israel zwaar tegen God gezondigd heeft door een gouden kalf te vereren, probeert Mozes verzoening te bewerkstelligen door te zeggen:

‘Schenk hun vergeving voor die zonden. Wilt u dat niet, schrap mij dan maar uit het boek dat u geschreven hebt.’ - Exodus 32:32

David probeerde God te vermurwen door te vasten en te bidden, hoewel de profeet Natan al had aangekondigd dat de zoon die geboren zou worden uit zijn overspel met Batseba, zou sterven. Pas toen het kind gestorven was, accepteerde David dat het oordeel onafwendbaar was. - 2 Samuel 12:13-23

Dit principe vinden wij ook in het Nieuwe Testament waar wij Gods kinderen, vrienden van Jezus en medewerkers van God worden genoemd. (Johannes 1:12, Johannes 15:13-15, 1 Korintiers 3:9)

Hoewel de mens naar Gods beeld is geschapen en gekroond is met glans en glorie, maakt de Bijbel ook klip en klaar duidelijk dat alles onderworpen is aan Gods heerschappij (Genesis 1:26, Psalm 8:6)

Wanneer Job zich bij God beklaagt over al het leed dat hem is overkomen, vindt hij uiteindelijk rust in Gods antwoord dat heel de scheppingsorde aan hem onderworpen is (Job 40:3-5). Maar dat degradeert de mens niet tot een mechanische robot. Het geeft ons wel de zekerheid dat wat er ook gebeurt, God altijd alles onder controle heeft en houdt. Dat is ook de hoopvolle boodschap van Openbaring, het laatste boek van de Bijbel. God zit op de troon. Zijn plan komt volkomen tot vervulling. Maar ook in dat boek worden gelovigen opgeroepen om trouw te zijn tot de dood, zijn werken tot het einde te bewaren en vast te houden wat we hebben (Openbaring 2:10,26 / 3:11). Zelfs Paulus is er zich van bewust dat hij afgewezen kan worden nadat hij anderen het evangelie heeft gepredikt. Daarom tuchtigt hij zijn lichaam en houdt het in bedwang (1 Korintiers 9:27).

Eenzijdig

Elke relatie kan alleen standhouden als beide partijen trouw blijven aan elkaar. Het calvinisme legt eenzijdig de nadruk op Gods aandeel in de relatie tussen God en de mens en gaat voorbij aan onze individuele verantwoordelijkheid om deze relatie in stand te houden, ook na onze bekering. Zo moet ook de in de inleiding genoemde tekst uit: Johannes 10:28-29 worden uitgelegd. ‘Niets en niemand kan ons scheiden van zijn liefde.’ (Romeinen 8:35-39) ‘Hij blijft altijd trouw, zelfs als wij ontrouw zijn, want zichzelf verloochenen kan Hij niet (2 Timoteus 2:13) Nee, niemand kan ons uit zijn hand roven; maar wij kunnen er wel zelf uit weglopen. Dat wij na onze bekering kunnen afvallen, is ook de strekking van andere bijbelgedeelten, zoals:

‘Het zaad op de rotsachtige bodem, dat zijn zij die het woord vol vreugde aannemen wanneer ze het horen, maar het schiet geen wortel; ze geloven zolang het hun goed uitkomt, maar als ze op de proef worden gesteld, worden ze afvallig.’ - Lucas 8:13

Petrus is nog duidelijker als hij schrijft:

‘En als zij die zich door hun kennis van onze Heer en redder Jezus Christus hebben losgemaakt van het vuil van de wereld, daar weer in verstrikt raken en er opnieuw door worden beheerst, zijn ze er erger aan toe dan voorheen. Het was beter geweest de weg van de rechtvaardigheid nooit gekend te hebben dan die weg wel te kennen, en zich vervolgens af te wenden van het heilige gebod dat hun is overgeleverd. Op hen is het spreekwoord “Een hond keert terug naar zijn eigen braaksel” voledig van toepassing, of “Een gewassen zeug rolt al snel weer door de modder.’ - 2 Petrus 2:20-22 

Ook de schrijver van de brief aan de Hebreeën heeft het klaarblijkelijk over gelovigen die afvallen, als hij schrijft:

‘Want wie ooit door het licht beschenen is, geproefd heeft van de hemelse gave en deel gekregen heeft aan de Heilige Geest, wie het weldadig woord van God en de kracht van de komende wereld ervaren heeft en vervolgens afvallig is geworden,kan onmogelijk een tweede maal worden bekeerd, omdat zo iemand voor zichzelf de Zoon van God opnieuw kruisigt en bespotting blootstelt.’ - Hebreeën 6:4-6

Paulus schrijft met spijt over Hymeneus en Alexander, bij wie het geloof schipbreuk heeft geleden (1 Timoteus 1:10-20).

De praktijk

Dat mensen terugvallen in hun oude levenswijze van voor hun bekering, is niet alleen de ervaring van bovengenoemde apostelen, maar is helaas ook praktijk in de christelijke kerk vandaag. ‘Ja, maar die waren niet echt bekeerd’, is niet alleen in tegensprak met de Bijbel zelf, maar strookt gewoon weg niet met de feiten. Als je al wat jaren op de ‘smalle weg’ wandelt, dan zul je de trieste ervaring meemaken dat mensen die vroeger heel duidelijk de vruchten toonden van hun bekering, toch kunnen afdwalen. Dat mensen die andere mensen begeleid hebben om Christus te dienen en lief te hebben, door de weerbarstigheid van het leven God losgelaten hebben. We kunnen ze het evangelie zelfs niet meer vertellen. We kunnen alleen maar dagelijks bidden dat ze weer mogen terugkeren naar de hemelse vader, die uitziet naar zijn verloren zoon (Lucas 15:21).

Twee kanten

Het volk Israel is een goed voorbeeld van de twee kanten aan de medaille van ons behoud: Gods belofte enerzijds en onze verantwoordlijkheid anderzijds. De beloften die God aan Abraham geeft, gelden ook vandaag nog voor zijn nakomelingen (Genesis 15). Maar dat wil niet zeggen dat het niet uitmaakt wat Israel wel of niet doet. Het Oude Testament laat voordurend zien dat het Israel goed gaat als zij zich aan Gods voorschriften houden, en dat Hij hen tuchtigt als zij Hem ongehoorzaam zijn en andere goden gaan dienen.

Flagrante tegenstelling

Als de stelling ‘eens gered, altijd gered’ waar zou zijn, dan zou dat inhouden dat wij er na onze bekering maar op los kunnen leven, omdat wij onze verlossing toch niet kunnen verliezen. Dat is in flagrante tegenstelling met de Bijbel, die ons nadrukkelijk en herhaaldelijk oproept om ons leven te heiligen (1 Petrus 1:16, Hebreeen 12:14).

Een zo mogelijk nog triestere consequentie van de uitverkiezingsleer is dat er geen mogelijkheid voor de mens is om zeker te weten dat hij of zij tot dit selecte gezelschap van ‘geredden’ behoort. Veel mensen die daar in opgevoed zijn zitten hartverscheurend in de knoei met deze uitverkiezingsleer. Het zijn meestal oprechte en trouwe gelovigen die worstelen met de vraag of zij wel behouden worden. Heel verdrietig. Het lukt meestal niet om hun verwrongen theologisch inzicht recht te buigen.Wat doen deze mensen zichzelf tekort in dit leven op aarde! Nog erger, wat een wreed godsbeeld dragen zij uit. De suggestie dat God schijnbaar willekeurig zijn mensen uitkiest, druist in tegen het bijbelse beeld van rechtvaardigheid. Naar onze vaste overtuiging is Christus zelf de uitverkorene. Zo moeten wij Efeziers 1:4 lezen (zie begin van dit artikel). God heeft ons in zijn zoon uitverkoren om te leven voor Hem. Zijn offer is voor allen, maar het is onze verantwoordelijkeheid daarin te geloven, Hem te belijden als Heer en ernaar te leven.

Eeuwige zekerheid

‘Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.’ - Johannes 3:16

Er is nauwelijks een tekst in de Bijbel die het evangelie - het goede nieuws – zo kernachtig samenvat. Deze en vele andere bijbelteksten maken duidelijk dat de uitnodiging om in Hem te geloven voor iedereen is. Tegelijkertijd moeten wij nooit vergeten dat God de initiatiefnemer is, zowel van de schepping als van onze redding. Hij staat er ook garant voor dat de herstelde relatie tussen God en de mens eeuwig is. Dat geeft rust. We hoeven onze behoudenis niet zelf te bewerken of vast te houden. Dat kunnen we ook niet. Dat is de baby in de calvinistische reddingsleer, die we zeker niet met het badwater moeten weggooien. Maar als de baby groeit, heeft hij wel de verantwoordelijkheid om te leven zoals het een kind van God waardig is.

Toen onze kroonprins Willem-Alexander geboren werd, was hij in zekere zin voorbestemd onze koning te worden. Toch blijft het zijn plicht om ernaar te leven; hij heeft nog steeds de vrijheid het koninschap af te wijzen of zelfs te verkwanselen. Het is als een liefdesrelatie. Als een jongen hevig verliefd is op een meisje en hij wil haar trouwen, dan zal hij dit op een bepaalde manier duidelijk moeten maken. Het meisje heeft de vrijheid het huwelijksaanzoek aan te nemen of af te wijzen. We zouden het niet anders willen. Als het meisje zijn aanzoek aanneemt, dan ontvangt ze zijn liefde en zorg voor haar. Maar ze moet hem wel trouw blijven. God heeft ons in zijn Zoon Jezus laten merken hoeveel Hij van ons houdt. Hij gaf zijn leven. Het is aan ons dit aan te nemen, inclusief de verantwoordelijkheid om trouw te blijven. Als we zijn liefde aannemen, dan blijft Hij trouw aan zijn beloften. Hij zal altijd voor ons zorgen, dat is een eeuwige zekerheid.

Oorspronkelijke auteur: Dr. Paul van der Laan, Hoogleraar dogmatiek en kerkgeschiedenis aan de Southeastern University in Lakeland, Florida in de Verenigde Staten.

Redaktie / aangepast door: Gerrit Spreeuwers